Joris zoekt troost.

Alles straalt op deze morgen als Joris Linssen de deur van zijn Utrechtse woning opendoet. De zon valt door de ramen op de overvloedige perenoogst van dit jaar die in grote schalen op tafel staat. De uitbundige kleuren van Mexico in het interieur weerspiegelen de Midden-Amerikaanse ziel van Linssen: ‘Het warm- bloedige, feestelijke, het mateloze van Mexico, het land waar ik ooit een tijd woonde, trekt me heel erg aan. Ik ben het gaan beschouwen als mijn tweede vaderland. Het fascineert me hoe ze daar met de dood omgaan. Overal in het straatbeeld zie je doodskoppen en geraamtes, de dood hoort bij het dagelijks leven. Wat bij ons Allerzielen is, op 2 november, is daar de Día de los Muertos, de dag van de doden. Dan worden kerkhoven versierd en eten nabestaanden het lievelingseten van hun overleden dierbare bij het graf. Er wordt muziek gemaakt, er lopen bandjes rond die je kunt inhuren om het lievelingslied van je naaste te spelen. De Mexicanen zeggen: Los muertos que uno ama, nunca mueren: de doden van wie gehouden wordt, zullen nooit sterven.’ 

Heeft muziek voor jou ook een troostende werking?
‘Als jongetje van acht ging ik aan de piano zitten en dan probeerde ik zo zielig te spelen dat ik moest huilen. Uit een verlangen naar voelen, het leven voelen. Als ik verdriet heb, troost ik mezelf door er een liedje over te maken. Jaren geleden werd ik tijdens een fietstocht door de stad overvallen door tranen om mijn schoonmoeder die net was overleden. Ik was in het Museumkwartier, dat prachtige deel van Utrecht waar je de geschiedenis om je heen voelt. Ik stopte bij de achterkant van de Domkerk, bij die eeuwenoude stenen. Hoeveel mensen hebben hier in de loop der tijd niet gelopen met hun verdriet en hun zorgen? Dat troostte me enorm. Ik heb daar bij thuiskomst een lied over geschreven: Als een stad je kan troos- ten, dan weet je waar je thuis bent. Muziek troost. Maar een stad kan ook troosten.’

In hoeverre bied jij zelf troost aan anderen?
‘Ik denk dat je alleen gelukkig kunt zijn als je het gevoel hebt dat je ertoe doet. Dat je er mag zijn, dat je bestaat en dat anderen zich daar rekenschap van geven. Ik ben serieus geïnteresseerd in mensen en ik heb in de loop der jaren geleerd dat iedereen een verhaal heeft, dat iedereen bijzonder is. In mijn interviews geef ik mensen het gevoel: jouw verhaal doet ertoe. Dan openen ze zich als een bloem, die aandacht is troostrijk. Mensen willen zich begrepen voelen. Maar als ze heftige dingen hebben meegemaakt reageert hun omgeving vaak terughoudend. Ze vragen er niet naar, bang voor de emoties die dat kan oproepen. Dat geeft mensen met ver- driet soms een eenzaam gevoel. Ik zie het als mijn taak de vraag te stellen die iedereen wil stellen, maar eigen- lijk niet durft. En omdat ik doorvraag voelen mensen dat ze serieus genomen worden en dat biedt troost.’ 

Lees verder in Vertel. magazine